Steenhuizen

 

Veel valt er over steenhuizen niet te vertellen omdat er eigenlijk niet zo heel veel over bekend is.
Dat komt omdat er van de oorspronkelijke steenhuizen maar een klein aantal meer rest.
Daarom moet met nu grotendeels afgaan op prenten of beschrijvingen hoe de oude steenhuizen er uitzagen

De eerste steenhuizen werden gebouwd rond 1350 - 1400 en in de 15e en 16e eeuw waren er al weer velen gesneuveld.

 

Waarvoor dienen steenhuizen eigenlijk.

Ze moesten bescherming bieden tegen het zeewater en tegen oorlogvoerende overheersers.
Het was een onrustige tijd en omdat er geen geregeld gezag van de overheid was moest men zich maar zien te redden.

Het waren torenachtige gebouwen gebouwd van kloostermoppen met enkele boven elkaar gelegen vertrekken waarvan de onderste een halve kelder. Deze had geen verbinding met de verdieping daarboven.
Ze werden gebouwd op een hoger gelegen stuk grond en er werd vaak een gracht omheen gegraven met een ophaalbrug.

Boven in een van de gevels was een toegangsdeur van ijzer die alleen bereikbaar was met een ladder
die naar binnen gehaald of vernietigd kon worden.
In sommige steenhuizen waren smalle vensters met luikjes aangebracht maar de meeste waren voorzien van
schietsleuven of gaten.
Er waren geen schouwen aanwezig, hoe ze verwarmd werden is dan ook een raadsel.

De meeste steenhuizen stonden in Groningen en Friesland omdat de gehele noordkust van Nederland geen dijken had,
die werden pas later gemaakt toen er meer mensen kwamen wonen.

 

Waarom noemde men het steenhuizen

Honderden jaren woonde men in Groningen net als elders in houten, stro of leemhuizen.
Steen als bouwmateriaal kende men niet.
In de dertiende eeuw leerden de groningers van klei bakstenen maken.
Maar het bakken van steen was in die tijd erg duur, alleen rijke kloosters en welgestelde boeren konden het zich veroorloven.

Men kon toen beginnen met het bouwen van steenhuizen, deze werden gebouwd van de zogenaamde kloostermoppen.

De lengte van zo'n kloostermop was 32 cm.
Twee in de lengte liggende stenen plus de voeg is de dikte van de muur, namelijk 65 cm.
Bij vier stenen kwam men op een dikte van 1,30 m.
De stenen wogen 16 pond.

De afmetingen van de steenhuizen waren verschillend, de kleinste breedte die men ooit gemeten heeft was 7,15 m.
en de grootste lengte 13 m.
Maar de gemiddelde lengte was zo'n 10 m. bij 7,50 m. breed, en de hoogte was 14 m. met meestal een zadeldak.

De eerste steenhuizen waren dan ook geen huizen maar meer een iets hogere verdedigingstoren die in tijden van vrede ook gebruikt werd als opslagplaats van de oogst.
Men bleef wonen in de houten boerderijen met de zekerheid dat men in tijden van oorlogsgevaar of overstromingen kon vluchten naar de sterke toren waar voedsel in overvloed was. Zo hebben er honderden steenhuizen in de ommelanden gestaan.

Later toen het leven op het platteland wat veiliger werd zijn de meeste huizen afgebroken.
Er zijn een paar overblijfsels blijven staan, in Friesland in Veenwouden maar daar noemt men het geen steenhuis maar een stins, deze heet dan ook de Skierstins.
Ook in Bunde, net over de grens in Duitsland staat er nog een.

En in Niebert het Iwema Steenhuis, het enige in de provincie Groningen.

Ook zijn er steenhuizen overgegaan in borgen.
Als je naar oude afbeeldingen van de borgen van Lellens en Pieterburen kijkt zie je daar de kenmerken van het steenhuis nog terug.
Ze werden toen ook gebruikt voor bewoning.

Die in Niebert is nimmer uitgegroeid tot een borg, maar is uiteindelijk een grote boerderij geworden.
Adelijke bewoners heeft hij dan ook niet gehad maar is wel in bezit geweest van vooraanstaande boerenfamilies.
De eerste bewoners in Niebert waren de Iwema's vandaar ook de naam Het Iwema Steenhuis.

Daarna is de geschiedenis wat ingewikkeld maar omstreeks 1700 komt het steenhuis door verwantschap in het bezit van de Ibema's.
Hendrik Ibema was gecommitteerde raad en rekenmeester der Ommelanden en ligt begraven in de Hervormde kerk in Niebert.
De Ibema's raakten echter in financiële zorgenen droegen in 1781 het bezit over aan de familie Von Inn-und Kniphausen.

Ook deze familie kwam in geldzorgen en verkocht in 1816 het huis aan de familie Iwema - Bousma.
Deze familie had ook de boerderij ten oosten van het steenhuis in eigendom.
Van 1847 - 1851 was het huis eigendom van Ds. Reinder damstee, predikant van Nuis en Niebert, en woonde in Nuis.

Ds. Damstee heeft het huis ingrijpend verbouwd.

Het oude aangebouwde huis aan de noordzijde werd afgebroken en in westelijke richting werd een nieuw huis - boerderij tegen het steenhuis aangebouwd en werden er grote ramen in gemaakt.
De toren werd toen verlaagd naar 13 meter.
Ds. Damstee kreeg van de herv. kerk fl. 400,- voor het opstarten en bouwen van de boerderij.
Een zogenaamde ijzeren koe, als hij voortijdig weg ging moest hij het terug betalen.
Helaas kwam Ds. Damstee te overlijden en in 1851 verkochten de erven het huis aan Jacob Hanses de Boer.

Jacob Hanses de Boer bezat reeds de grote boerderij ten oosten van het steenhuis.
Als erfgenaam van de familie Iwema - Bousma had zijn echtgenote deze boerderij in 1844 in het bezit gekregen.
Sinds 1851 tot heden wordt het steenhuis bewoond door de familie De Boer.
In 1988 heeft Halbe de Boer het huis verkocht aan de stichting Het Groninger Landschap.

Deze hebben enkele jaren geleden een vrij grote restauratie uitgevoerd, in met name het boerderij gedeelte nieuwe vloeren en zolders, en er is weer een tweede schoorsteen op gemaakt.

Ook de tuin heeft een opknapbeurt gehad. Hier staan vele soorten stinsen planten en ook veel bekende appel en perenrassen.
Maar het aanzien van de tuin bepaalt nog steeds de dikke beuk, dit is de dikste beuk van het noorden met een stamomtrek van 6,30 m. en hij is ongeveer 200 jaar oud.

Sinds 1994 is in het schuurgedeelte een ambachtelijk streekmuseum gevestigd met daarin o.a. een schilder - en bakkersmuseum.
Dit museum word beheerd door de Vereniging Museum 't Steenhuus en wordt volledig door vrijwilligers in stand gehouden.